2015 zal geen verkiezing kennen: we moeten schrijven!

Taal is dynamisch. Talen veranderen de hele tijd: woorden komen en gaan met een duizelingwekkende snelheid. Nieuwe woorden komen natuurlijk niet uit het niets: we verzinnen volledig nieuwe, maken nieuwe samenstellingen, of lenen woorden uit andere talen.

De Nederlandse taal heeft altijd woorden uit andere talen geleend. Vanaf de vroegste bronnen van de taal zijn er invloeden te zien vanuit een veelheid aan talen. Zelfs veel woorden die we als oerhollands beschouwen, zoals kat of kelder, zijn van origine geen Nederlandse woorden.

De talen die het belangrijkst zijn geweest in de geschiedenis van het Nederlands zijn het Latijn, het Frans, en het Duits. Die talen hebben allemaal in bepaalde periodes voor heel veel leenwoorden gezorgd. Sommige daarvan zijn in onze taal gebleven, maar veel zijn er ook weer verdwenen.

De laatste jaren lenen we vooral uit het Engels. Hier is veel weerstand tegen, verwoord door bijvoorbeeld de Stichting Nederlands. Wat jammer is, is dat men vaak voorbijgaat aan het waarom van leenwoorden. Het gebruik ervan is altijd een keuze, en je kunt je dus afvragen waarom mensen ze gebruiken. Het blijkt dat dat vaak met prestige te maken heeft. Er wordt wel gedaan alsof dat een onbelangrijke factor is en alsof men ook wel andere woorden kan kiezen, maar prestige bepaalt heel sterk ons taalgebruik – je kunt er niet zomaar omheen.

We zijn namelijk altijd met prestige bezig, of beter gezegd met hoe we overkomen. We doen elkaar in gesprekken vaak ook een beetje na, zowel in uitspraak als in woordkeuze. Daar zie je aan dat woordkeuze belangrijk is bij het groepsproces, bij bepalen wie er wel en niet bij de groep horen. Je kunt je dus aansluiten bij de ander, maar je kunt ook bepaalde woorden gebruiken die de ander niet gebruikt om te laten zien hoe hip je bent. Dan komt men al snel bij het Engels uit.

Engels is namelijk, hoe je het ook wendt of keert, op dit moment de lingua franca, de gemeenschappelijke gebruikstaal. En dat betekent dat het prestige heeft, en dat het invloed heeft op onze dagelijkse gebruikstaal. Dat kun je jammer vinden, maar zo is het nu eenmaal. Het heeft z’n voordelen om zo’n lingua franca te hebben (anders moest je nog veel meer talen leren) en het is niet zo bedreigend als men wel eens denkt: verschillende talen kunnen prima naast elkaar bestaan.

Als het Nederlands een Engels woord overneemt, gaat dat niet ten koste van de Nederlandse taal – de Nederlandse grammatica, klanken en spelling blijven gewoon hetzelfde. Bijvoorbeeld het woord computer is vernederlandst: het betekent iets anders dan het Engelse computer en het wordt op Nederlandse wijze uitgesproken. Het heeft onze taal dus eerder verrijkt dan verloederd!

Laat één ding voorop staan: iedereen die meewerkt aan deze verkiezing houdt enorm van het Nederlands. De juryleden houden van de boeken van Louis Couperus en van Arnon Grunberg, van de muziek van Ramses Shaffy en van Herman van Veen, van de presentatie van Philip Freriks en van Hans Teeuwen. Maar we vinden ook dat er niet krampachtig hoeft te worden omgegaan met taal. Een taal die leeft, verandert; dat is alleen maar gezond.

Reacties:

  1. […] Ableger ins Leben gerufen – den Anglicisme van het Jaar (wer Niederländisch lesen kann, erfährt hier alles über die Einstellung der beiden zu Lehnwörtern und deren Rolle für das […]