2015 zal geen verkiezing kennen: we moeten schrijven!

Vorig jaar was er veel discussie (tot in Onze Taal en De Volkskrant aan toe) over de vraag wat nou een anglicisme is. Onze definitie wijkt een beetje af van wat er bijvoorbeeld op Wikipedia staat. Lees dit stukje dus even aandachtig door voor je tot noimineren overgaat.

Veel van de gangbare definities stellen dat anglicismen woorden of constructies zijn die “in strijd zijn met het Nederlandse taaleigen”. Dat is problematisch, want wat is het Nederlands taaleigen? Soms is dat duidelijk: een woord als game heeft een klank die niet in traditioneel Nederlands lijkt voor te komen. Maar hoe zit het met woorden? Sommige woorden zijn misschien van buitenlandse origine, maar worden niet door iedereen als zodanig herkend, zoals bijvoorbeeld aanhangwagen. Sommige woorden zijn niet ontleend aan het Engels maar wel volgens Engelse structuur gevormd, zoals bijvoorbeeld voetbal. Stroken zulke woorden wel of niet met het Nederlands taaleigen? Dat is onduidelijk. Daarnaast verandert de opvatting over wat het taaleigen is. Wat mensen vroeger nog afkeurden omdat het Engels was, is nu helemaal ingeburgerd – bijvoorbeeld het woord computer wordt door velen inmiddels als prima gezien. En niemand kijkt op als je het over een muis hebt voor je computer, terwijl die betekenis toch ook echt uit het Engels komt.

Een anglicisme is voor veel mensen een leenvertaling, zoals ‘je hebt mijn dag gemaakt’, of ‘ik ben goed’ wanneer je geen nieuw drankje hoeft. Het probleem met zulke leenvertalingen is dat je nooit kunt vaststellen of ze door de gebruiker daadwerkelijk uit het Engels vertaald zijn, of dat het een structuur is die in het Nederlands ontstaan is. Tenslotte ontstaan er in verwante talen soms soortgelijke structuren – het in het Engels populaire ‘like’ heeft in het Nederlands ‘(ik heb zoiets) van’ als equivalent. Als je naar de historie kijkt, blijken beide in dezelfde tijd te ontstaan. Is het dan een een anglicisme? Is het geleend? Daar kom je niet achter. Lees hierover ook deze column van Marc van Oostendorp.

Anglicismen worden vaak geschaard onder de barbarismen: woorden uit een andere taal die afgekeurd worden. Een leenwoord is volgens zulke definities ook een woord uit een andere taal, maar wordt niet (meer) afgekeurd. Het enige verschil tussen een barbarisme en een leenwoord is dus de acceptatie, maar die is voor ieder persoon anders. Ook taalinstanties zoals de Nederlandse Taalunie en Genootschap Onze Taal zijn het oneens over wanneer iets ingeburgerd of geaccepteerd is. Er is geen duidelijke grens te trekken tussen wat een Engels woord is, en wat een Nederlands woord is. Bovendien is het aan geschiedenis onderhevig: in de jaren ’30 werden eindeloze germanismen afgekeurd, die we nu prima vinden.

Nicoline van der Sijs, expert op het gebied van leenwoorden, verwoordt het zo (in het Groot Leenwoordenboek, hier te vinden): “Tenslotte is gebleken dat het oordeel of een woord een germanisme is of niet, tijds- en persoonsgebonden is, terwijl het constateren van Duitse invloed een objectief kenmerk betreft.” Hetzelfde geldt voor Engelse invloed op het Nederlands.

Daarom hanteren wij voor onze verkiezing deze definities:

anglicisme: een woord of constructie die in het Nederlands wordt gebruikt, dat/die afkomstig is uit het Engels of gebruik maakt van Engelse klanken, los van of dit nog door taalgebruikers als zodanig wordt herkend, en los van het feit of een persoon dat mooi/lelijk vindt. Als je het lelijk vindt, kun je altijd spreken van een verwerpelijk anglicisme, maar dat is dus geen pleonasme.

leenwoord: een woord dat oorspronkelijk afkomstig is uit een andere taal, onafhankelijk van of gebruikers dat nog als zodanig herkennen.

Deze definities zorgen voor een aantal verfijningen in het debat. Allereerst is het mogelijk om onder anglicismen ook woorden als film, voetbal, diepvries, bus, en camping te scharen. Onze definitie zorgt er ook voor dat een woord als smoking of beamer, dat niet in het Engels wordt gebruikt maar wel Engelse klanken heeft, een anglicisme kan worden genoemd.